Bookbespreking: consciousness explained (Daniel Dennett)

Je hebt het voorzekers ook wel eens, dat je een woord zoekt, maar er even niet op kan komen. Het ligt op het puntje van je tong, je bent zeker dat je het weet, wacht nog even, zodadelijk heb je het.

Je vindt dat woord niet onmiddellijk omdat Fonske net met iets anders bezig is, en even geen tijd heeft. Fonske is het manneke dat in je hoofd leeft, en daar de bibliotheek van je geheugen beheert. Als je je iets wil herinneren, bel je Fonske. Hij zoekt in zijn grote cataloog op in welke kamer, kast, schap, boek en pagina die kennis neergeschreven staat. Dan neemt Fonske zijn boekenmand, schuifelt de lange, kronkelige gangen door, rolt een ladder op haar wieltjes langs de vloer-tot-plafondkasten, klautert naar boven, strekt zijn arm helemaal uit, en kan nog net met zijn vingertoppen het juiste volume vastpakken. Hij legt het in zijn mandje, daalt de ladder af, schuifelt weer helemaal terug, schrijft alles netjes over op antwoordpapier en plopt het in de buizenpost.

Maar dan ligt dat boek natuurlijk nog steeds op zijn tafel. Dus om de zoveel tijd moet Fonske alle boeken verzamelen op een rolkarretje en één voor één op hun juiste plaats terugzetten. Meestal doet hij dat ‘s nachts, maar als het heel druk geweest is, soms ook overdag. Als jij net op dat moment belt, dan is er natuurlijk niemand die opneemt. En Fonske wordt ook al een dagje ouder, is niet meer zo goed te been. Het ophalen en terugbrengen gaat een beetje moeizamer. “Jaja, mijn geheugen is ook niet meer wat het ooit was”, zeg je dan.

 

Zo dachten we er in ieder geval vroeger over. Heel lang geleden, in de tijd dat Roger Dillemans nog rektor was van de K.U.Leuven, dat professor doctor ingenieur doctor honoris causa (twee maal, als ik mij niet vergis) Jacques Eerwaarde Heer  Peeters s.j. op een oude fiets nog langs de Celestijnenlaan reed, en dat Theo Van der Waeteren (ook professor doctor ingenieur, misschien ook honoris causa, dat weet ik niet) één keer per jaar alle ramen van het Thermotechnisch Instituut openzette en voor zijn studenten de vliegtuigstraalmotor (de oudste nog werkende in de hele wereld) in de gang stak. Of aan zijn werkman vroeg om met perslucht het grote vliegwiel van de 20 liter, één-cylinder Bollinckx dieselmotor op toeren te brengen, en dan op het juiste moment de motor zelf. De zoete geur van verstoven brandstof, de diepe chouf-chouf van de piston, de vloer die alle derde-jaarsstudenten zachtjes deed meeresoneren op dezelfde cadans.

 

Maar nu geloven we dat niet meer. Een filosoof zegt zelfs dat er helemaal geen homunculusje is dat door jouw ogen naar de wereld kijkt, naar de film over wat zich zoal daar buiten afspeelt. Dat je ziel niet iets is dat apart bestaat van je hersenen. En dat zo een aparte ziel trouwens logisch gezien helemaal niet kan bestaan: als de ziel volledig los staat van de cellen en moleculen onder je hersenpan, als hij immaterieel is, vrij van de wetten van de fysica, hoe kan hij dan interageren met je lichaam, er informatie van krijgen en bevelen terugsturen? Het is zoals een spook: als dat vlot door de muur loopt, dan beweegt zijn hand dus ook los doorheen de lichtschakelaar. Hoe doet ’ie het licht dan aan of uit?

 

Nee, je hersenen bestaan uit miljoenen neuronen, onderling met elkaar verbonden. Die vormen kleine verwerkingscentra, allemaal parallelle processen, ieder met zijn gespecialiseerde functie: trek je hand terug als het pijn doet. Eet iets op dat zoet ruikt. Die donkere vlek in de lucht daar wordt groter en groter, best even wegduiken.

Dat gedrag is hard-gecodeerd in je hersenen, gewoon omdat het evolutionair voordelig is: de beestjes die geïnteresseerd blijven kijken naar de overvliegende havik overleven meestal niet zo lang als hun broertjes die wegvluchten. Dus de genen die, per toeval,  aanleiding geven tot hersen-structuren die een voordelig gedrag genereren, verspreiden zich. En andere genen sterven uit.

Iets later in de evolutie zou blijken dat als je kan communiceren met je soortgenoten je daar ook weer voordeel uit haalt. Je kan elkaar wijzen op gevaar, of helpen bij een moeilijke taak. Dus die genen verspreiden zich ook, en voor je weet zit iedereen tegen elkaar te brabbelen. En al snel tegen zichzelf, eerst luidop en later stillekes. Op die manier help je jezelf: door één deel van je hersenen te laten praten, en een ander deel te laten luisteren kan je informatie overdragen tussen verschillende hersencentra die niet rechtstreeks verbonden zijn, die anders niet met elkaar kunnen communiceren en dus niet kunnen samenwerken. Door constant tegen jezelf te praten, zorg je er voor dat al je afzonderlijke hersencentra werken rond één centraal thema (nl. het ding dat je nu aan het doen bent) i.p.v. dat ieder centrum gewoon zijn eigen ding doet. Je hebt je leren concentreren. Natuurlijk werk niet ieder centrum op ieder moment even hard mee; de rode draad meandert door je hersenen, en ieder centrum voegt op  tijd en stond een stukje toe.

 

Dat gesprek dat je constant met jezelf voert, is je bewustzijn. Het steunt op de aangeboren, fysieke structuur van je hersenen, maar het is ook aangeleerd, omdat je successvolle truukjes (spreken, taal) overgenomen hebt van de cultuur die je omringt. Zo tegen jezelf praten levert een evolutionair voordeel op, en daarom kunnen we het ondertussen allemaal (want onze voorouders die het niet konden, zijn ondertussen uitgestorven). Dus we doen het nu automatisch, zoals een spin zonder na te denken haar web weeft.

Ons web is niet gemaakt van draden, maar van woorden en begrippen. De continue stream of consciousness verenigt de verschillende delen van wie we zijn tot één geheel. En het bewustzijn, onze ziel, is niets meer dan het middelpunt van dat (constant evoluerend) web. En zo is het dus dat er uit onbezielde materie iets kan ontstaan dat heel immateriaal lijkt.

 

Je persoonlijkheid is met andere woorden niets meer dan het resultaat van alle verhalen die je continu aan jezelf vertelt, over jezelf en over de wereld. Over een pastoor op een vrouwenfiets, over een straalmotor met zijn uitlaat door de buitenmuur, en over al van die dingen.

 

 

Naschrift

Net zoals het middelpunt van een geometrische figuur eigenlijk een abstract begrip is, is je ziel (het middelpunt van je web van verhalen) dat ook. Dat wil dan ook zeggen dat de ziel werkelijk onsterfelijk kan zijn. Zolang er iets of iemand is die al jouw verhalen vertelt, zoals jij ze zou vertellen, blijft je ziel bestaan – wie of wat die iets of iemand ook mag zijn. En zelfs als het niet dezelfde is als gisteren.

Het verhaal van Theo Van der Waeteren (08/05/1930-24/10/2012), emeritus gewoon hoogleraar aan de Faculteit Ingenieurswetenschappen staat hier, vanaf pag. 6

 

 

Boekbespreking: Cosmos, Carl Sagan

In 1977 lanceerde de NASA 2 ruimtetuigen, Voyager 1 en 2. Die zouden, voor de allereerste keer, foto’s nemen van de buitenplaneten van ons zonnestelsel. Planeten die we vanop aarde nog net kunnen zien, als een stipje op een telescoopfoto, maar waarvan we niet wisten hoe ze er juist uitzagen.

Die missie is wonderwel geslaagd. De 2 Voyagers hebben ons prachtige foto’s geschonken: de grote rode vlek van Jupiter, zwavelvulkanen op de maan Io, impactkraters op Ganymedes, de ringen van Saturnus (en van Jupiter, want die heeft er ook), de atmosfeer van Titan.
Nu was de oorspronkelijke bedoeling dat, na de passage langs de planeten, de camera’s uitgeschakeld zouden worden om stroom te sparen voor andere instrumenten.
Gelukkig heeft de astronoom Carl Sagan de vluchtleiding kunnen overtuigen om nog 1 extra, niet in het vluchtplan opgenomen, foto te maken.
En dus draaide in 1990 Voyager 1 zich 180 graden, keek als het ware over zijn schouder en nam de verste foto ooit. Waarop vooral zwart te zien is, een paar vage strepen, en dan, in de rechterbeneden hoek, je zou het zelfs niet opmerken als ze je het niet zeggen, een heel klein puntje.
Dat puntje, nog geen pixel groot, is the pale blue dot. Dat zijn wij, onze planeet, met 7 miljard mensen, in de uitgestrekte leegte.

“From this distant vantage point, the Earth might not seem of any particular interest. But for us, it’s different. Consider again that dot. That’s here. That’s home. That’s us. On it everyone you love, everyone you know, everyone you ever heard of, every human being who ever was, lived out their lives. The aggregate of our joy and suffering, thousands of confident religions, ideologies, and economic doctrines, every hunter and forager, every hero and coward, every creator and destroyer of civilization, every king and peasant, every young couple in love, every mother and father, hopeful child, inventor and explorer, every teacher of morals, every corrupt politician, every “superstar,” every “supreme leader,” every saint and sinner in the history of our species lived there – on a mote of dust suspended in a sunbeam.
The Earth is a very small stage in a vast cosmic arena. Think of the rivers of blood spilled by all those generals and emperors so that in glory and triumph they could become the momentary masters of a fraction of a dot. Think of the endless cruelties visited by the inhabitants of one corner of this pixel on the scarcely distinguishable inhabitants of some other corner. How frequent their misunderstandings, how eager they are to kill one another, how fervent their hatreds. Our posturings, our imagined self-importance, the delusion that we have some privileged position in the universe, are challenged by this point of pale light. Our planet is a lonely speck in the great enveloping cosmic dark. (…) There is perhaps no better demonstration of the folly of human conceits than this distant image of our tiny world. To me, it underscores our responsibility to deal more kindly with one another and to preserve and cherish the pale blue dot, the only home we’ve ever known.”

Diezelfde Carl Sagan heeft in 1980 een televisiereeks gemaakt voor de Amerikaanse publieke omroep.
Waarin hij op heel eenvoudige wijze de zoektocht van de mensheid vertelt om te begrijpen hoe de wereld en het universum er uit zien, hoe de natuur werkt.
Het gaat over mensen met een open en nieuwsgierige geest, die los van bijgeloof op zoek gingen naar echte antwoorden. Die ons ook leerden correct te redeneren.
Over de oude Grieken die al beredeneerden dat de aarde rond was, en die haar diameter konden meten, met een verrassende nauwkeurigheid.
Over hoe de evolutie werkt, hoe de eerste moleculen onder invloed van bliksem zijn ontstaan uit een soep van scheikundige elementen die toen de aarde bedekte. En na een tijdje ontstonden moleculen die een kopie van een zichzelf konden maken (de eerste voortplanting, en de voorlopers van ons DNA). Groepjes moleculen vormden het eerste eenvoudige celletje. Dan bacterien en poliepen, voortbeweging, vissen, longen, amfibieën, dino’s en vogels, zoogdieren en wij.
En lang daarvoor, hoe uit het plasma van de big bang elementere deeltjes ontstonden. En later waterstof. Dat onder invloed van de zwaartekracht wolken ging vormen, die samentrokken tot sterren. Het is in die sterren dat alle andere elementen (koolstof, stikstof, en zelfs alle metalen t.e.m. ijzer toe) gevormd zijn. Om bij het einde van de ster terug de ruimte gekatupulteerd te worden. Miljarden jaren later is een heel klein deeltje van dat sterrenstof weer samengeklit tot onze blauwe stip. Wij zijn letterlijk gemaakt van sterrenstof.

Dit is nu het boek dat bij die serie hoort.
Omdat we alleen zorgzaam en respectvol met het blauwe stipje kunnen omgaan als we, zonder vooroordelen, weten hoe de realiteit werkt. En dus wat de gevolgen zijn van onze beslissingen.
En het is misschien 30 jaar oud, en Sagan al lang dood en weer tot stof vergaan, maar nog steeds correct, relevant en heel leesbaar.

Boekbespreking: What I talk about when I talk about running, Haruki Murakami

Cover-What-I-Talk-About-When-I-Talk-About-Running

Start

“Ik heb enkel mijn ervaring en instinct om me te leiden. Uit ervaring weet ik dat ik alles gedaan heb dat ik moest doen. Het heeft geen zin om er nu nog eens op terug te komen, ik moet enkel wachten tot de wedstrijd begint. En m’n instinct heeft me 1 ding geleerd: gebruik je verbeelding. Dus ik sluit mijn ogen en ik zie het allemaal voor me.”

De start is in het oude Olympische stadium. Met nog 1 minuut op de klok stopt de muziek. Voor niet meer dan een enkele seconde, daalt een absolute stilte over de tribunes. Als met 1 stem, breken overal om je heen de aanmoedigingen en het applaus los. Een enkel schot echoot over het stadium en over de stad, die met ingehouden adem aan het wachten was. En dan begint het.

5 km

“Waar denk ik over tijdens het lopen? Ik weet het echt niet. Als het koud is, denk ik over hoe koud het is. Als het warm is, over de hitte. Als ik verdrietig ben, een beetje over triestigheid. Als ik blij ben, over geluk. Of ik haal willekeurige herinneringen op. En af en toe krijg ik een idee voor in een roman. Maar meestal denk ik niets dat het vermelden waard is.”

Het gaat zig-zag over de oude omwallingen van het stadje, de gracht over om terug te lopen over de buitenvesting. Rechtsaf, 2 km rechtdoor en dan de bossen in.

10km

“Spieren zijn lastdieren. Als je langzaam aan de belasting verhoogt, stap voor stap, dan leren ze ermee opgaan. Zolang je je verwachtingen goed uitlegt, door te laten voelen welk soort inspanning ze moeten doen, gehoorzamen ze en worden ze geleidelijk aan sterker. Maar als je een paar dagen ophoudt, beginnen je spieren te denken dat ze niet meer zo hard moeten werken. En ze worden zwakker. Je moet natuurlijk af en toe rusten, maar als je aan het trainen bent voor een wedstrijd moet je tonen wie de baas is. Duidelijk maken wat er verwacht wordt. Ik moet de spanning erin houden, maar niet tot op het punt van burn-out. Iedere loper leert die dingen.”

Het parcours van de halve marathon gaat hier rechts, maar jij gaat links. Even een nijdige helling omhoog (je komt in de verleiding om ‘m gewoon te stappen, maar je zet door). Boven op de dijk roept de vrijwilliger-seingever enthousiast: “op het strand linksaf, richting Scheveningen”. Je hebt nog de tegenwoordigheid van geest om te beseffen dat het zijn links is, dus voor jou rechts. Door het mulle zand naar beneden tot bijna aan de waterlijn. Daar is het zand steviger, en dat loopt makkelijker.

15km

“Ik stop altijd met schrijven net op het punt dat ik het gevoel heb dat ik nog wel even kan doorgaan. Want dan gaat het de volgende dag altijd verrassend vlot. Ik denk dat Hemingway het ook zo deed. Om vol te houden, moet ik in mijn ritme blijven. Dat het is belangrijkste voor lange projecten. Eens ik het goede ritme te pakken hebt, volgt al de rest vanzelf.”

De eerste kilometers zijn voorbij voor je goed en wel beseft dat je gestart bent. Je loopt op souplesse, dus kan je nog af en toe rondkijken of een praatje slaan. Want het begint eigenlijk pas vanaf 21. Je bent ondertussen de Erasmusbrug over, de reclame van Tattoo Bob gepasseerd, en je loopt net langs het Feyenoord stadium. Altijd even wuiven, want je baas is daar supporter van.

21.1km

“De mensen lachen soms er mee dat ik iedere dag loopt. Alsof ik echt vanalles zou doen om net ietsje langer te leven. Maar het is niet daarom dat we lopen. Niet om langer te leven, wel om beter te leven. De jaren ontglippen me onverbiddellijk; ik kan maar beter duidelijke doelen zetten. En lopen helpt daar bij. Het maximum geven, binnen mijn individuele mogelijkheden: dat is de essentie van lopen, en ook een metafoor voor het leven.”

Je bent nog niet moe, maar je voelt wel dat je al een tijdje bezig bent. Als je een vlakke wedstrijd wil lopen (altijd hetzelfde tempo), hou je nu een strak tempo aan. Voor een negative split (de 2e helft sneller dan de eerste), is het nu het moment om te versnellen. Je loopt ondertussen het centrum van de stad binnen. Nog een stukje rechtdoor, het park langs en dan door, de Sint-Servaasbrug over en langs de andere kant van de rivier weer terug naar de finish.

25 km

“Na al die jaren, en al die marathons, voel ik nog steeds net hetzelfde als toen. Sommige dingen laten geen variatie toe. Als ik er deel van wil uitmaken, moet ik mezelf veranderen, door steeds weer hetzelfde te herhalen. En dat ding wordt een deel van wie ik ben.”

Je wereld wordt langzaam kleiner. Je begint meer op jezelf te focussen en minder op de omgeving. Je kijkt niet meer rond, je praat minder. Er lopen nu ook minder andere lopers rond je, het peleton is verspreid geraakt. Soms krijg je nu het gevoel dat je licht aan het vertragen bent. Maar een blik op je uurwerk spreekt dat tegen, je tempo blijft netjes constant. Goed zo, je kan dit nog een tijdje volhouden. Je bent de IJzertoren al een tijdje voorbij, en draait nu linksaf de Ieperleedijk op. Voor een lang, saai stuk, bijna recht-op-recht. Tot aan de rand van Ieper.

30km

“Ik ben geen mens. Ik ben een machine. Ik moet niks voelen. Enkel volhouden. Ik herhaal deze woorden als een mantra. Een letterlijke, mechanische herhaling. Alles wat ik zie is de grond, een meter voor mij. Mijn hele wereld is de grond, een meter voor mij. Ik sta op automatische piloot. Armen voor- en achteruit, één voet achter de andere. Ik denk nergens aan. Ik voel niets.”

Iets na 32km is het eerste magische moment: nog minder dan 10km, dus je zit in de “single digits”. Dit is nu dat souplesse plaats maakt voor karakter. Vol houden, niet verzwakken. Muziek (liefst opzwepend, en van een live band) helpt. Net als aanmoedigingen. Je mag van jezelf om de km een tabletje druivesuiker eten. Als beloning voor weer een km minder. Instant gratification. Je passeert door het Rivierenhof, dan nog een stukje over de kasseien aan het MAS, tot aan de Scheldekaaien.

35km

“De meeste amateurlopers halen hun motivatie uit een persoonlijk doel, een bepaalde tijd die ze willen halen. Zolang je onder die tijd duikt, ben je tevreden omdat je je doel bereikt hebt. Zelf ben ik niet competitief. In zekere zin is het onmogelijk om niet te verliezen. Er zijn altijd mensen die sneller zijn. Ik wil gewoon niet steeds weer dezelfde fouten maken. Ervan leren en het de volgende keer beter doen. Zolang ik dat nog kan.”

Het moeilijkste moment. Alle spieren zijn stram. Het hele lijf protesteert. Je bent er zeker van dat als je nu stopt, je nooit meer terug vertrokken raakt. Blijven volhouden – dat karakter weer. Je draait de Potsdammer Strasse op. Het enige stuk in een biljartvlak parcours dat licht omhoog gaat (ze doen dat met opzet, die Duitsers). En wind op kop.

Finish

Vanaf 39 of 40km is de pijn geleden. Je kan de finish ruiken. Er staat meer publiek, dat ook enthousiaster is. Alles er uit persen, voor de laatste eindsprint. Je loopt langs het stadspark, met het beeld van Strauss. Je kent het daar van de citytrip-wandeling de dag ervoor. Gewoon de ring volgen, lichtjes afbuigen naar rechts.

Na 41 km draai je de Hans-Christian Andersens Boulevard op. Langs de kade van Islands Brygge, waar de publiek in rijen dik iedereen van achter de dranghekkens aanmoedigt. 300m voor de finish versmallen de nadars en zit je, zoals de renners op de Tourmalet, midden in de mensenzee – je kan ze een voor een aanraken. Voorbij de finish, na de medaille en het recuperatiedrankje, na het fruit en de warme chocolademelk, na de ernergierepen, het Deense gebak, en de yoghurt. Daar staat er op het grasplein een boog. Met eronder een grote koperen bel. Iedere finisher die die dag een persoonlijk record gelopen heeft, mag ze luiden. Dus terwijl je op de massagetagel ligt, of je baggage weer ophaalt, je omkleedt of een praatje slaat met een Australier, hoor je een paar keer per minuut de bel weerklinken, over het land en het water.

“Deze winter zal ik wel weer een marathon lopen, en volgend jaar nog een triathlon, allemaal zo goed als ik kan. De seizoenen komen en gaan, de jaren glijden voorbij. Ik word een jaar ouder, en zal nog wel een roman afleveren. Ik doe de taken die ik moet doen, zo goed ik kan. Denk aan iedere stap, maar probeer ook verder te kijken, het landschap zo ver mogelijk vooruit te zien. Want ik blijf toch een lange afstandsloper. En ik hoop dat, na verloop van tijd, als de ene wedstrijd de andere opvolgt, ik aankom in een plaats waar ik tevreden ben. Of dat ik er een glimps van kan opvangen. Ja, dat is een betere manier om het te zeggen. En op mijn graf staat dan misschien: Haruki Murakami. Schrijver (en loper). Hij heeft tenminste nooit gewandeld.”

(De marathons zijn, in volgorde: Amsterdam, Zeeuws-Vlaanderen, Den Haag, Rotterdam, Maasmarathon, In flanders fields, Antwerpen, Berlijn, Wenen en Kopenhagen)

Boekbespreking, In 500 words: The book thief, Markus Zusak

In 1901 bouwde Duncan MacDougall naar eigen ontwerp een nogal gecompliceerde weegschaal, en mat het gewicht van terminale tuberculose-patienten. Op het exacte stervensmoment werden ze allemaal een klein beetje lichter. De menselijke ziel bestaat dus, en hij weegt 21 gram. Diezelfde proef op honden toonde trouwens geen gewichtsverschil – honden hebben geen ziel, zoals iedere kattenliefhebber al lang weet.
Iedereen denkt ook altijd dat de mens sterft omdat de dood komt. Maar eigenlijk is het omgekeerd: wanneer je hart stopt, verschijnt de Dood en hij draagt je ziel zachtjes weg. Het in een zware job, je hebt nooit eens vakantie, maar iemand moet het doen. Die iemand ben ik.

DINGEN DIE JE MOET WETEN OVER THE BOOK THIEF:
 * Het is een klein verhaal, verteld door de Dood, voor kinderen en ook voor volwassenen
* Geregeld wordt het aangevuld door een korte opsomming, zoals deze.
* Er zijn 10 hoofdstukken, ieder genoemd naaar een belangrijk boek in het leven van Liesel.

De boekendief heet Liesel Meminger. Ze is negen jaar, met bruine, maar geen blauwe, ogen in het Duitsland van ’39. Ze woont bij pleegouders in de Hemelstraat, in het arme deel van een klein dorpje.
Liesel brengt na school de was rond, die haar moeder netjes gestreken heeft. In het huis van de burgemeester mag ze altijd even door de boeken in de bibliotheek snuffelen. En later, als geld schaars wordt, en de klanten een voor een afzeggen, blijft er daar altijd een buitenraam speciaal voor haar open staan.

EEN PAAR WEETJES OVER DE BOEKENDIEF:
* Ik heb haar in die tijd drie keer gezien: 1 keer op een witte dag, 1 keer op een zwarte en 1 keer in het rood.
* Het eerste boek dat ze leest is ook het eerste boek dat ze gestolen heeft. Op het kerkhof, in de witte sneeuw.
* Op het moment dat ze dat boek meeneemt, kan Liesel nog niet lezen.

Het mooiste boek heeft haar vriend Max, die in de kelder woont, speciaal voor Liesel gemaakt. Hij heeft het zelf geschreven en getekend op de losgescheurde en dan witgeverfde bladen van het boek van de leider.
Daarom schrijft Liesel, eens Max uit de kelder weg is, haar eigen boek, met haar verhaal. Over haar broertje, die in de sneeuw ligt. Over geelharige Rudy die een boek uit het koude water opvist, en haar wel wil kussen. Over haar steeds terugkomende droom, en die van Max. Over woorden die je op je rug trommelen, die in je mond aarzelen, of die zomaar zachtjes aan je voeten dwarrelen.

Op de rode dag, nadat de vliegtuigen weer weggevlogen zijn, en wanneer ze papa’s smeulende accordion ziet, laat Liesel het boek, dat ineens zo zwaar geworden is, vallen. Ik heb het toen stilletjes meegenomen.

Gisteren pas heb ik de boekendief terug gezien, en zij mij, voor het eerst. We wandelden even, samen. Ik gaf haar een oud, stoffig, zwart boekje.
“Is dit het echt? Ik kan het bijna niet geloven. Heb je het gelezen?”
“Ja, vele keren.”
“Heb je het begrepen?”
Ik wou nog zoveel zeggen, maar ik gaf haar het enige antwoord dat ik kon geven. En daarna enkel stilte.