Augustine

This irreverent collection of 52 “Peter Principles” of “What NOT to do” if one wants to become a successful problem-solving manager, is management thinking of a very high order. There is just nothing else like it in the management literature.

The New York trilogy, Paul Auster

auster

Het is allemaal begonnen met een verkeerd nummer. Iemand belde op een avond Paul Auster en vroeg of hij verbonden was met het Pinkerton detective agentschap. Auster antwoordde negatief, en beëindigde het gesprek. De volgende dag belde de onbekende opnieuw, met dezelfde vraag, en hetzelfde antwoord. Zo ook de derde dag. Pas toen er de vierde dag geen oproep meer kwam, dacht Auster met spijt wat er gebeurd zou kunnen zijn als hij “ja” geantwoord had.

Hij gebruikte dat voorval later in een boek: de telefoon die rinkelt, en de stem aan de andere kant die vraagt naar iemand die hij niet is; – maar dan zoals het had moeten lopen.

 

(I) Een man belt de schrijver David Quinn op, met de vraag of hij bij de detective Paul Auster is. Voor een zeer dringende zaak. Maar er is daar niemand met die naam.

De tweede keer dat de telefoon rinkelt, is Quinn te laat – de man heeft al opgehangen. Maar de derde keer: “Met Auster, wat kan ik voor u doen?”

Quinn noteert alles wat er dan gebeurt nauwgezet in een rood notaboekje.

 

(II) Eerst en vooral is er Blauw. Later Wit, en dan Zwart. En nog voor het begin, Bruin.

Bruin heeft hem het vak geleerd, en toen Bruin oud werd, nam Blauw de zaak over. Dan wandelt Wit het detectivekantoor binnen, en begint het.

De zaak lijkt simpel genoeg: Wit wil dat Blauw de man Zwart schaduwt.

Blauw ziet Zwart zitten, achter zijn bureau. Hij schrijft met een rode vulpen in een notaboek.

De dagen gaan voorbij. Zwart schijft, leest, maakt soms een korte wandeling door de buurt.

 

(III) Zeven jaar geleden kreeg ik een brief. Fanshawe was verdwenen, schreef ze. Het was al zes maanden geleden dat ze nog iets van hem gehoord had. Hij was waarschijnlijk al lang dood.

“Hij is altijd blijven schrijven?”, vroeg ik. Het was ingewikkelder dan dat: een paar maanden voor zijn verdwijning had hij haar beloofd dat hij binnen het jaar iets zou uitgeven. En als hij om de een of andere reden zijn belofte niet zou houden, mocht ze al zijn manuscripten aan mij toevertrouwen. Vond ik het allemaal moeite niet waard, moest ik de papieren teruggeven. En zij zou ze vernietigen, tot de laatste pagina toe. Ik heb alles gepubliceerd, werd er rijk en beroemd mee. En ik ben op zoek gegaan naar Fanshawe.

 

Het appartement is leeg nu. In 1 van de kamers ligt het rode notaboek. De laatst geschreven zin: “Waarom zijn er geen pagina’s meer in het rode notaboek?”

 

Jaren later gaat bij Paul Auster opnieuw de telefoon. Men vraagt naar Quinn. Auster checkt het nog eens: u zoekt een meneer King? Nee, nee, het moet Quinn zijn.

Iemand belt naar een schrijver en vraagt naar het hoofdpersonage van 1 van zijn boeken. Van een boek notabene dat ontstaan is uit een verkeerd verbonden telefoongesprek.

 

De geschiedenis herhaalt zich misschien niet, maar ze rijmt wel.

Sum: Forty Tales from the Afterlives (David Eagleman)

sum

God mag dan al een hele tijd dood zijn (volgens Nietzsche), maar dat zegt natuurlijk nog niets over het hiernamaals. Over die zaak moet je, als wetenschapper met een open geest, toch iets zinnigs kunnen zeggen. Als je de wetenschappelijke methode rigoureus toepast, waarnemingen verzamelt, een theorie opbouwt, experimenten bedenkt om die te staven, bijstuurt als de resultaten een andere werkelijkheid laten zien dan je theorie impliceert.

Ik kan zo al zeker 47 namen opnoemen van mensen die het geprobeerd hebben, fysici, psychologen, zelfs 2 Nobelprijswinnaars. Geen van hen heeft resultaat geboekt.

Maar stel nu dat je met een verwante, gevoelige ziel af zou spreken dat wanneer 1 van jullie sterft, die vanuit het hiernamaals zo snel mogelijk een boodschap stuurt. De andere concentreert zich dan om het bericht te ontvangen. Uit zo een experiment moet toch iets te leren zijn.

En dus draait Thomas Lynn Bradford op een avond de gaskraan open. In haar verduisterde appartement concentreert Ruth Doran zich. Later die week kopt de krant: “Medium hoort niets”.

 

2e poging.

God mag dan al een hele tijd dood zijn (volgens Nietzsche), maar dat zegt natuurlijk nog niets over het hiernamaals. Over die zaak moet je, als wetenschapper met een open geest en gevoel voor literatuur, toch iets zinvols kunnen zeggen. Als een collectie kortverhalen, misschien. Die de lezer doen nadenken, over hoe het daar zou kunnen zijn, en vooral over hoe het hier is.

 

(Uit het Latijn: “sum”, ik ben.)

In het hiernamaals herbeleef je al je ervaringen uit deze wereld, maar in een andere volgorde: alle gelijkaardige momenten volgen elkaar op.

1 jaar boeken lezen. Anderhalve week reviews schrijven voor leesmenu. 2 uur trots zijn dat je schrijfsel gepubliceerd zijn, 6 minuten je zorgen maken of er toch geen schrijffout is blijven staan.

1 jaar looptraining, 4 dagen staan wachten in de regen en kou voor de start. 15 dagen marathons, 3 uur je afvragen waar je in gods heren naam aan begonnen bent. 10 minuten euforie terwijl je over de finish komt. Je zweet kriebelt, maar je moet wachten tot die ene, 200 dagen lange douche.

51 dagen voor je kleerkast staan en twijfelen wat je gaat aandoen. 9 dagen doen alsof je snapt waar het gesprek over gaat. 6 maanden TV reclame kijken. 4 weken in gedachten verzonken, twijfelen of je toch niet beter iets anders zou gaan doen. 18 dagen voor de frigo staan, 3 jaar eten. 14 minuten puur geluk. 3 maanden de was doen. 2 dagen je veters knopen. 3 dagen de verdeling van de restaurant-rekening uittellen. 67 dagen met een gebroken hart. 4 minuten je afvragen hoe je leven er zou uit zien als je de volgorde van de gebeurtenissen kon veranderen.

In dit hiernamaals beeld je je iets zoals je aardse leven in. Een leven waarin alles in kleine stukjes gebeurt, waar alle momenten weer voorbijgaan, waar je van de ene ervaring naar de andere kan springen, zoals een kind van de ene plas water naar de volgende.

(Nog 39 levens te gaan)

Boekbespreking: de bonobo en de 10 geboden (Frans de Waal)

De bonobo en de tien geboden

Visioenen uit het hiernamaals (Hieronymus Bosch, omstreeks 1504)

De bonobo en de tien geboden - PlataanOm de hoek van restaurant ’t Crabbetje, net buiten de jungle van de Hollandse randstad, ligt een alleraardigst hotel. “De Plataan” heet het, en de eigenaar heeft dat natuurthema consequent in de inrichting doorgetrokken. De muren zijn in zachtbruine tinten beschilderd met een licht chaotisch, zich nooit herhalend landschap. Het bedhoofdeinde heeft de vorm van een espeblad. Iedere spitse hoek is kunstig vermomd als een boom, inclusief takken die het plafond dragen. Buiten op het balkon van de kamer staat een polyester koe.

En op een zwoele zomeravond, het begint al een beetje te schemeren, lig je op je luie kont wat te snoezelen op het terras. Een lekker rijpe banaan als late-night snack in je ene poot. En met de andere af en toe afwezig krabbend in je pels.

Uit een ebbenhouten doosje dat iets verder op de boomstronk staat, komt een zachte stem, die zegt: “Each week on our program of course, we choose a theme; bring you different kinds of stories on that theme.” Iets later hoor je het verhaal van Maurice Temerlin en zijn vrouw. Die zagen het niet zitten om zelf kinderen te krijgen, maar adoptie was misschien wel iets. En omdat hij professor psychotherapie was, en zij sociaal werker, meteen ook een uitgelezen kans om eens te kijken wat er nu aan was van dat hele “nature versus nurture” debat. Zo kwam Lucy, 2 dagen oud, bij de Temerlins wonen.

bosch1Lucy leerde al snel zelf haar flesje vasthouden, zich aankleden, met mes en vork eten. Maar wat nog het meest verbaasde was de vanzelfsprekendheid van de hele situatie: iedere keer dat iemand op bezoek kwam, wandelde Lucy op haar gemak naar de keuken, zocht in de kast naar de smaak waar ze die dag zin in had, deed water in de ketel, zette die op het vuur, en maakte een mok thee. Met een air van: Ja en? Ik maak thee, en ik zou willen dat jij ook wat drinkt. Want zo doen we dat in ons gezin, als er bezoek komt, drinken we thee.

En dan duurt het toch heel even voor je beseft: O ja, Lucy was een chimpansee.

 

Een paar maanden later; het is al kouder buiten, vroeger donker, natter ook. Bij het binnenkomen hang je je 2e pels nonchalent over een poot. Je gaat schrijlings zitten, want daar vooraan is een andere primaat al druk bezig met vertellen.

Hij gebaart dat mensapen zich moreel gedragen. Ze zijn bewust van hoe anderen zich voelen, steken een helpende poot toe, troosten wie verdrietig is. Zorgen ervoor dat het gemeenschapsgevoel blijft bestaan.

Dan staat er iemand recht die zegt dat het zo niet zijn kan, want de moraliteit komt van de ratio, en die is pas in wetten gegoten na de Franse Revolutie. Beesten en oude Grieken hebben dat niet meegemaakt, dus hoe kunnen die dan moreel handelen? En weer een ander poneert dat de moraliteit van Boven komt, want als er geen macht is die het universum heeft geordend, wie bepaalt dan wat goed of slecht weze?

Maar zij dwalen.

 

Het aards paradijs (linkerpaneel  van “De tuin der Lusten”, Hieronymus Bosch, omstreeks 1500)

bosch2aBijen en insecten werken weliswaar als groep samen, maar dat is puur instinctief. Ze hebben geen besef van de anderen – gedragen zich als de cellen van 1 lichaam. Zoogdieren, en vooral primaten, hebben wel aandacht voor de mede-aap, en voor zijn behoeften. Ze kunnen dezelfde emoties ervaren, weten hoe iemand anders zich voelt.

Dat komt omdat we uitgerust zijn met spiegelneuronen: hersencellen die actief worden als je zelf iets doet, maar ook als je iemand anders de identieke handeling ziet uitvoeren. Door die breinbedrading kunnen we ons (in bepaalde mate) inbeelden hoe het is om in de ander zijn schoenen te staan. Empathie ontstaat uit die lichamelijke synchronisatie.

Waarschijnlijk zijn die spiegelneuronen evolutionair ontstaan omdat ze ouders helpen om voor hun kinderen te zorgen: om de noden van een baby, die zelf nog niet goed kan communiceren, te voldoen, moet je kunnen interpreteren wat die noden zijn. Dat is zeker belangrijk in soorten die weining nakomelingen krijgen, of waar de kroost in de eerste levensjaren nog relatief hulpeloos is. Via de spiegelneuronen beschouwen we kinderen bijna als een extensie van onszelf. Net zoals we intuïtief voor ons eigen lichaam zorgen, doen we dat dan ook voor hen.

Empathie rijkt verder dan de direkte familieband, dan de zorg om het voorbestaan van je eigen genen: de meeste groepen primaten bestaan uit individuen die niet aan elkaar verwant zijn. Toch gedragen ze zich empathisch in directe contacten met andere apen waarmee ze regelmatig omgaan. Als 2 bonobo’s vechten, komt een ouder vrouwtje of mannetje er dikwijls tussen om de rust te herstellen.

Omdat je in groep leeft, heeft iedereen er (indirect, maar toch) belang bij dat de groep goed samenwerkt. Dat is zeker het geval wanneer je in groep moeten jagen om aan voedsel te komen: alleen red je het niet. En het blijkt ook dat bonobo’s (die samen jagen) meer empathisch zijn en beter voor elkaar zorgen, dan chimpansees (die solitair jagen). Anders gezegd: de drijfveer voor dit gemeenschapsgevoel is verlicht eigenbelang. Daarom zien we bonobo’s zich ook gedragen alsof ze zich bewust zijn van hun reputatie, en van de noodzaak om die te onderhouden. Als een jong mannetje zich wat wild gedragen heeft, zal het de dagen erna heel opvallend voor het oog van iedereen vriendelijk zijn tegen zijn slachtoffer.

Nu heeft de natuur er een handje van weg om de gedragingen die nodig zijn voor het voortbestaan plezierig te maken, te verbinden aan positieve emoties (de alfa-aap in u denkt nu onbewust aan seks). Vandaar dat wij het nog steeds leuk vinden, emotioneel bevredigend zelfs, om anderen te helpen.

 

Primaten kunnen dus wel handelen op een manier die we moreel noemen, maar ze hebben daarom nog geen moraal. Hun gedrag is puur emotioneel gestuurd, niet rationeel onderbouwd. En het is beperkt: ze handelen moreel in een kleine groep, waar iedereen iedereen kent, en waar iedereen alles ziet dat er gebeurt.

Voor de ontwikkeling van een echte moraal hebben we nog iets nodig. Iets dat enkel bij mensen voorkomt: veel grotere groepen. Steden eigenlijk.

Want in zo een stad ken je niet iedereen. Ook het effect van je reputatie is beperkt: je vindt altijd wel mensen die je vroeger gedrag niet kennen. Of je loopt er subtiel de kantjes wat van af, zonder daarmee rechtstreeks iemand te schaden, maar je profiteert wel lekker van de gemeenschap. Daarom hebben we nood aan een stel gecodificeerde regels dat je verteld hoe je je moet gedragen in situaties waar je empathie en emoties geen leidraad bieden.

 

De schepping van de wereld (buitenpanelen  van “De tuin der Lusten”)

bosch3Hoe komt religie er dan bij? In grotere samenlevingen bestaat de behoefte aan toezicht om samenwerking af te dwingen. In kleine groepen houdt de zorg voor je eigen reputatie je wel in de pas. Nu hebben we iets, of nog beter iemand, nodig die alles nauwlettend in het oog houdt. Een abstracte grote broer die ziet als je over de schreef gaat, en je op je vingers tikt. De locale machthebber en ordehandhavers zijn beperkt in hun kunnen, maar god is overal en ziet alles. Religies maken dus geen morele wetten, maar ondersteunen ze, dwingen ze af.

En hoe zit het dan met de wetenschap, die moderne god?

Het blijkt dat telkens wanneer authoriteit zich uitsluitend steunt op wetenschappelijke redeneringen, het leidt tot uitwassen zoals eugenetica, de proeven van Mengele, of experimenten als de grote sprong voorwaarts in China, die tot massale hongersnood leidde. Wetenschap kan wel heel goed observaties verklaren, maar het is iets heel anders om na de feiten uit te leggen wat er gebeurd is, dan het is om gedragsregels uit te vinden die een betrouwbare leidraad vormen in nieuwe, onbekende situaties. Trouwens, sinds Gödel weten we dat ieder axiomatisch systeem per definitie tot mislukken gedoemd is. Ofwel kies je (relatief) weinig uitgangsstellingen, en dan zijn er (morele) vragen waarop je geen antwoord kan beredeneren (strikt genomen: dan zijn er stellingen waarvan je niet kan bewijzen of ze waar of vals zijn). Ofwel kies je meer axioma’s, en dan spreek je jezelf soms tegen (dan zijn er stellingen waarvan je kan bewijzen dat ze waar zijn, maar ook dat ze vals zijn). De wetenschap kan dus geen finaal antwoord geven op morele vraagstukken.

David Hume maakte ook al het onderscheid tussen hoe de dingen zijn (“ist”) en hoe ze zouden moeten zijn (“soll”). Die twee zijn niet hetzelfde, en je kan niet zomaar, zonder extra rechtvaardiging overgaan van ist naar soll.  De bron van ons moreel handelen zijn altijd emoties, en daarna verzint de ratio een verklaring voor wat er net gebeurd is. Je kan de moraal niet zomaar afleiden uit empirische observaties. Maar de wetenschap kan wel verklaren waarom bepaalde gedragingen de voorkeur genieten, waarom onze moraal is zoals hij is.

 

Er zijn fossielen gevonden van ernstig gehandicapte voorouders die toch lang hebben geleefd. Dat is enkel mogelijk als ze door hun gemeenschap gesteund en onderhouden werden. Ons moreel gedrag is dus duizenden jaren ouder dan zowel religie als wetenschap.

Noch het bestuderen van heilige boeken noch de wetenschap kan vertellen wat goed of fout is, maar kennis van de natuur helpt ons te begrijpen hoe en waarom we om elkaar zijn gaan geven en waarom we ernaar streven om moreel te zijn. De kracht van onze aangeboren moraal is beperkt, en dus hoe meer we de reikwijdte van de moraal uitbreiden, hoe meer we moeten leunen op ons intellect.

 

De hel (recherpaneel van “De tuin der lusten”)

bosch2cNog later, het wordt al warmer ‘s avonds, en je ligt weer op dat terras. Uit het kastje komt nu een andere stem, die vertelt over zijn jeugd, aan Lake Wobegon “the little town that time forgot, and the decades cannot improve; where all the women are strong, all the men are good looking, and all the children are above average”.

Hij praat over hoe de boer varkens slachtte. En dat, jonge jongens, ze steentjes gooiden naar de wachtende biggen. En sloegen met takken; ze krijsten van de schrik. Want al vermoeden die niets, dood zijn ze eigenlijk toch al, dus wat geeft het, je kan wel wat pret beleven met die beesten.

Tot de boer uit de schuur kwam gelopen, druipend mes in de hand, zijn schort rood van het bloed. De jongens van het erf afranselde, en hen verwenste. Ze liepen allemaal weg, maar die ene was trager. En hij hoorde de boer roepen dat het niet is omdat je het dier dooddoet, je gezin wil eten, dat je het niet met respect moet behandelen.

 

Middenpaneel van “De tuin der lusten”

bosch2bEn door je oogleden, die zachtjes dichtvallen, zie je een vogeltje dat je voorouders een braam voert, een plant die uit een ei groeit, mansgrote vruchten, vliegende vissen en een griffioen, behaarde wilden, zeemeerminnen en zeeridders, olifanten en kamelen. Je staat langzaam op, en volgt de groep, allerwijle meezingend.

 

 

Onder de groene hemel, in de blauwe zon

Speelt het blikken harmonie-orkest in een grote regenton

Daar trekt over de heuvels en door het grote bos

De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch

En we praten en we zingen en we lachen allemaal

Want daar achter de hoge bergen ligt het land van Maas en Waal.

 

 
(Het boek verwijst naar de allegorische schilderijen van de laat-middeleeuwse Nederlandse schilder Hiëronymus Bos. Deze review doet dat dus ook).

Bookbespreking – House of leaves, Mark Z Danielewski

House of leaves - cover

House of leaves, Mark Z Danielewski

(Een raadsel, een thriller, een liefdesverhaal)

 

Ik vond deze tekst tussen de paperassen van een oude bekende, die ik al jaren niet meer gezien heb. Ik weet niet of dit een eerste onvolledige versie is, of de afgewerkte.

 

This is not for you.

 

Ik krijg nog steeds nachtmerries.

Lude had me een maand of zo ervoor over de oude man verteld, voor die stierf. Toen Zampanò wegbleef van zijn dagelijkse wandeling rond de binnenkoer, zijn we in het huis gaan kijken. Alle ramen dichtgenageld en afgeplakt. De deuren beveiligd. Alle ventilatiegaten gesloten. Toch was hij niet bang: hij ging naar het strand, kreeg bezoek, wilde de wereld niet buitenhouden.  Het was bijna of hij zijn eigen universum wilde binnenhouden.

En overal woorden. Eindeloze fragmenten, afgebroken, afsplitsend in andere stukjes. Op oude servieten, enveloppen, de achterkant van een postzegel. Handgeschreven, getypt, doorgehaald, overdrukt, gevouwen, gescheurd, bevlekt, vervaagd.

Ik ben beginnen puzzelen. Zampanò’s project is de exegese van een film die niet eens bestaat. Je zal nooit een kopie vinden van The Navidson record. Veel van de boeken waarnaar hij refereert zijn fictief, de citaten van beroemdheden verzonnen.

Het is de film van een wereldberoemd foto-journalist, Pulitzer winnaar ook, met het moeilijkste onderwerp van allemaal: hoe donker er uit ziet. En Zampanò praat constant over zien, light, ruimte, vorm, lijn, kleur, perspectief, compositie. Zampanò was al 30 jaar stekeblind.

De uren vliegen voorbij zonder dat ik het besef. Ik neem de telefoon niet meer op, ben voor niemand bereikbaar. Ik heb de ramen dichtgespijkerd, de deuren beveiligd. Overal lintmeters gekleefd. Ik wil mijn ruimte. Gesloten, onaantastbare, onveranderbare ruimte. De lintmeters zouden geholpen moeten hebben. Ze hielpen niet. Niets hielp.

En dan beginnen de nachtmerries.

 

Sceptici noemen de film misschien een vervalsing [2], maar moeten toegeven dat het een vervalsing van hoge kwaliteit is. In de 3 jaar sinds Miramax in een beperkte oplage uitbracht, werd de film in het hele land vertoond en blijft hij interesse opwekken. Er verschijnen nog geregeld artikels en boeken gewijd aan de film, en tientallen studenten uit verschillende disciplines hebben hun doctoraatsverhandeling eraan gewijd [1].

The Navidson record omvat strikt genomen 2 films: de film die iedereen gezien heeft, en de film die Will Navidson wilde maken. Navidson zelf zegt daarover: “Ik wou gewoon een verslag maken over hoe Karen en ik een huis kochten op het platteland, en er met de kinderen introkken.” Na 11 jaar samen, waarin Navidson een groot deel van de tijd op buitenlandse reportage was, had Karen hem voor de keuze gesteld: minder reizen of zijn familie opgeven.

Een paar weken na de verhuizing, de Navidsons kwamen terug van een korte vakantie, was het huis veranderd. In de slaapkamer stond een witte deur. Die opende niet naar de slaapkamer van de kinderen, maar kleine ruimte, de grootte van een inloopkast, met donkergrijze, bijna zwarte muren. Op de foto’s die ze bij het inhuizen genomen hebben, staat er geen deur in de slaapkamermuur.

Een opmerking over de kwaliteit van de film is op zijn plaats. In alle fragmenten die Navidson zelf gefilmd heeft, is geen enkel slecht gekadreerd shot te vinden. Vergelijk dit wat de anderen hebben gefilmd: slecht scherp gesteld, abominabele belichting, de camera scheef, bibberend beeld. Het is duidelijk dat Navidson’s ervaring als fotojournalist hier meespeelt.

Will haalt er de bouwplannen bij. Daar staat de inloopkast niet op, maar wel een soort kruipruimte. Bijna per toeval begint Navidson het huis na te meten, en te vergelijken met de plannen. Hij meet de buitenafmetingen: 32 voet 9 ¾ inch. Dan de binnenafmetingen: 32 voet 10 inch [119].

De communicatie tussen Navidson en zijn vrouw verslechtert. Een ongewone stilte daalt over het huis. Karen weigert over de anomalie te praten. Dan hoort Will de stemmen van de kinderen echoën uit een lange zwarte gang die plots in de westelijke muur van de woonkamer verschenen is.

Karen is claustrofobisch en wil niet dat Navy de gang verkent. De film contrasteert nu het comfort van een goedverlicht huis met de donkere wereld die de verkenners navigeren. Navidson geeft ons de kans om het donker te vullen met vragen en demonen. We identificeren met Navidson, die zoals wij, niets liever wil dan het mysterie binnendringen.

De gang is pikdonker en ijskoud. 20 meter lang, niet meer. Dan plotseling een deur rechts, die er daarnet niet was. 30 meter, dan een grotere gang links, 5m breed en 3m hoog. Deuren links en rechts, die naar andere gangen of kamers leiden. De doorgang naar een ruimte, zo groot dat de overkant in de lichtbundel van de lamp niet te zien is. Aan de andere kant ligt de grote hal. 150m hoog, anderhalve km lang. In het midden een wenteltrap 60m in diameter. De afdeling duurt 5 dagen – de trap gaat 20 km diep.

De tijd verstrijkt.

.

De spanning neemt toe.

.

Vanaf nu komen Navidson en Karen niet meer samen in 1 shot voor.

.

Ergens in het huis weerklinkt een zwak geklop.

– – – . . .

Tasha K. Wheelson merkte op dat Navidson de SOS niet alleen maar gefilmd heeft. Hij heeft hem in de film verwerkt. Kijk hoe hij telkens 3 korte shots afwisselt met 3 lange.

De klok vertelt me hoe laat het is, maar ik heb de indruk dat de wijzers soms snel, soms traag gaan. Ik weet nooit wat het exacte uur is. Uit voorzorg heb ik een aantal lintmeters op de vloer en de muren gekleefd. Tot nu toe blijven de afmetingen van m’n studio constant. Desondanks, zelfs na 6 weken zonder alcohol en drugs blijven de angstaanvallen komen. Het enige dat me gaande houdt is de drang om The Navidson record af te maken.

Onderaan de trap aangekomen, wordt besloten terug te keren. De beklimming duurt slechts 2 dagen, hoewel de trap nu zeker 250m in diameter is.

 Het is niet mogelijk om op basis van de filmbeelden het grondplan van het huis te reconstrueren. Niet enkel wegens de constant verschuivende muren, maar ook wegens de jump cuts in de film die navigatie bemoeilijken. De film biedt geen schematische maar een schismatische voorstelling van lege kamers, lange gangen en dead ends. Een labyrint in andere woorden. Het beroemdste labyrint is natuurlijk dat op Kreta dat Daedalus bouwde voor koning Minos. Het deed dienst als gevangenis voor de Minotaurus [237].

In de grote hal lijkt de terugweg veranderd te zijn.

                   De gang                                                                                   wordt soms

          breder                                                                                                            en breder

en dan weer steeds

smaller tot

Nadison

zich er
nauwelij
ks door
kan
wur
men

 

En ondertussen slaan alle deuren

een

na

een

na

een

dicht.

 

Karen is met de kinderen

heel ver weg.

 

De batterijen van de lampen zijn op. Navidson raakt meer en meer gedesorienteerd. Hij heeft geen water meer. Hij kruipt dieper in zijn slaapzak en concentreert zich op de enige activiteit die hem nog rest, het boek dat hij bij heeft – The house of leaves.

“Het enige dat ik als lichtbon heb zijn, is een doosje lucifers, en iedere lucifer brandt ma—“

Door nauwkeurig 1 beeld van de film te analyseren heeft Hans Staker uit Genève, Zwitserland kunnen achterhalen welk soort lucifers Navidson bijhad. Uit testen in dezelfde klimatologisch omstandigheden blijkt dat iedere lucifer 12.1 seconden brandt. Met 24 lucifers en het doosje (geschat op 36 seconden brandtijd), heeft Navidson 5 minuten 44 licht. Het boek is 736 bladzijden. Zelfs als hij een bladzijde per minuut leest, komt hij er nog 704 te kort (Navidson zat al op 26). Hij scheurt de eerste pagina uit het boek en steekt ze aan. Dat levert 2 minuten licht op, net genoeg om de volgende 2 bladzijden te lezen. Uiteindelijk heeft hij nog 1 blad en 1 lucifer over. Hij steekt de lucifer aan en leest zo snel mogelijk. Als de vlam zijn vingers bereikt steekt hij de bovenkant van de pagina aan en terwijl het vuur de regels verteert, leest hij zo snel hij kan. De daad van het lezen, en van het gebruik van de tekst, vallen samen.

House of leaves

 

De volgende 6 minuten van de film zijn zwart.

Gedurende de laatste paar seconden zie je een klein vlekje blauw licht in het zwarte niets. De spoel film is op. Zwart, maar een ander soort zwart. En de naam van het labo waar de film ontwikkeld is.

 

Karen zit buiten op het gazon en houdt de ijlende Will in haar armen.

 

 

[1] In de laatste 3 maanden heb ik meer dan 200 afwijzingsbrieven gevonden, van uitgevers, tijdschriften, zelfs eenmaal van een professor. Niemand was geïnteresseerd in de woorden van de oude man, behalve ik.

[2] Zie Daniel Bowler’s “Resurrection on Ash Tree Lane: Elvis, Christmas Past, and Other Non-Entities”, gepubliceerd in The House (New York: Little Brown, 1995)

[119] the book’s front cover is approximately half a centimeter smaller than the pages

[237] de Minotaurus is het nageslacht van de koningin en een stier. Het is duidelijk dat een vrouw
niet met een stier kan paren en een kind kan baren. Dit leid tot de interessante gevolgtrekking dat koning Minos het labyrint niet bouwde om een monster op te sluiten maar wel om zijn eigen misvormde kind te verbergen.[238]

[238] Zampanò wou deze passages weg, maar met wat terpentijn en een vergrootglas heb ik ze tot leven gewekt.

[307] sommige critici poneren dat het huis de psychologie reflecteert van zijn
bezoekers. De afwezigheid van zintuiglijke gegevens dwingt het individu om zijn eigen data te fabriceren.

 

Boekbespreking: By grand central station I sat down and wept (Elizabeth Smart)

Bespreking By Grand Central station I sat down and wept

Dus de volgende keer dat je weer eens verliefd bent (want het is toch al bijna Valentijn), maar je lieveling weet het nog niet, dan neem je het object van je verlangen mee naar de Côte d’Azur. Je wandelt de Boulevard de Cimiez op, betaalt 2 keer 8 euro museum-inkom en gaat op het enige bankje in de zeshoekige annex zitten. Jullie kijken samen naar de 5 schilderijen die Marc Chagall gemaakt heeft, als ode aan zijn vrouw, geïnspireerd op de Song of Songs. Want in het Oude Testament, net na het boek van Job (die, rijk en welvarend, alles verloor dat hem dierbaar was; zijn kinderen, zijn gezondheid en al zijn bezittingen) staat het gedicht van 2 mensen. Het praat niet over God of de Wet, enkel over Liefde.

My beloved is mine and I am his
I am my beloved’s and my beloved is mine
Behold thou art fair my love
I am my beloved’s and his desire is for me

song-of-songs-iv-1958-6

Dan ga je op 1 knie zitten, kijkt lichtjes omhoog in die mooie ogen, en vertelt uit Plato. Dat lang geleden de wereld niet was zoals nu. De mens was een wonderlijk wezen, in de vorm van een cirkel (de meest perfecte geometrische vorm), met vier armen, vier benen, en 2 gezichten, het ene om vooruit en het andere om achteruit te kijken. En hij kon in deze richting wandelen en in de andere, zonder zich om te draaien, of heel snel op vier armen en vier benen rollen, als een wiel.
Zijn macht en aanzien waren groot, en groots waren de gedachten in zijn hart. Even groot als de Goden waande hij zich, en hun gelijke. De Olympus zou hij bestormen, en de hand slaan aan zijn bewoners.
De Goden waren vertoornd, want alle zwakheden vergeven zij, behalve hubris. Maar doodslaan deden zij niet, want dan zou er geen verering meer zijn, en geen offergaves. Daarom trok Zeus iedere mens uiteen, en hakte hem in 2. Hij draaide het hoofd, zodat hij vooruit kijkt, en zijn eigen schaamte kan zien, en bond de huid over de snede samen in een knoop – wij noemen dat nu de navel. De 2 verspreidde hij over de wereld, ver van elkaar.
Sindsdien verlangt ieder mens naar zijn andere helft, en is altijd op zoek. Als er één die ander vindt, dan verliezen zij zich in de verwondering van affectie en liefde. De één is niet uit het zicht van de ander, niet voor een moment zelfs. Zij brengen hun leven samen door, maar kunnen het verlangen voor elkaar niet verklaren. Wij zien hen, en prijzen hen gelukkig, want zij hebben elkaar gevonden.

En dan zeg je: “En ik heb jou gevonden, en mezelf, in jou.”

song-of-songs-iii-1960-6

Op dat moment weerklinkt er uit luidsprekers, die er niet hangen, en waar trouwens anders nooit geen muziek uit komt, de zachte stem van Nick Drake, alleen met zijn gitaar in de hoek van studio, het gezicht naar de muur.

I never felt magic crazy as this
I never saw moons knew the meaning of the sea
I never held emotion in the palm of my hand
Or felt sweet breezes in the top of a tree
But now you’re here
Brighten my northern sky

Nu zijn jullie klaar om te beginnen lezen.

— * —

Deel 1 – Ik sta op een straathoek in Monterey te wachten op de komst van de bus en al mijn wilskracht is nodig om de vrees in bedwang te houden voor het moment waar ik het meest naar verlang. Maar dan zie ik haar ogen uit de vulgaire menigte uitstappende passagiers naar me toe komen; me geruststellen dat de bus geen rampspoed brengt. En ik vraag me af hoe ze over straat kan wandelen, zo kwestbaar, zo onwetend, zonder dat mensen en honden en eeuwigdurende calamiteit haar achtervolgen.
We zitten, de zomer lang, aan de kust koffie te drinken op de houten trappen van onze huisjes. Maar hij kan niet dichtbij passeren zonder dat mijn bloed om aandacht schreeuwt. Mijn ziel mag redeneren dat de spanning niets betekent, maar mijn hart weet dat geen betekenis ooit zo vol van passie was. Hij heeft me verrast, onder de waterval, en gaf me wat ik niet kon weigeren. En daarna kuste hij mij, en ging terug naar hun huisje.
Het komt. En ik kan enkel maar kruipen en Gods toorn afwachten.

Deel 2 – Mijn kamer echoot met de schreeuw die zij nooit geuit heeft, maar onder de houten vloer houden de ranken van wroeging zich klaar. Ik dwing mijn ijdelheid om bovenaan de klif te staan, maar de lafaard die ik ben durf ik noch het leven, noch de dood te omarmen. Mijn hart klopt het giftige ritme van de waarheid. Maan, rijs in de hemel als herinnering aan het uur dat ik moedig was.
Zwak als de hoop, duidelijk als de dood, is mijn liefde stralend als een totem in de ochtend. Ik ben bezeten door de liefde, en heb geen keuze.

Deel 3 – En er is zoveel voor mij, ik ben plotseling zo rijk en ik heb niets gedaan om het te verdienen. Het mirakel is geschied en alles begint vandaag.

Deel 4 – Maar aan de grens van Arizona houden ze ons tegen.

Wat is uw relatie met die man? My beloved is mine and I am his.
Hoe lang kent u hem al? I am my beloved’s and my beloved is mine
Slapen jullie in dezelfde kamer? Behold thou art fair my love
In hetzelfde bed? I am my beloved’s and his desire is for me

song-of-songs-v-7

Deel 5 – Op de terugweg naar Canada, door de herfstzon, kijk ik in de richting van thuis, en smelt. Want al ben ik gekroond en gezalfd door de liefde, en heb van het leven alles gekregen dat ik vroeg, maar wat ben ik wanneer ik het huis van mijn ouders betreedt, anders dan weer een verloren dochter.

Deel 6 – Er is geen rechtvaardiging voor de liefde, en tranen maken het enkel erger. Zij redelijk. Zij gewoon. Je bent een slimme meid. Je hebt een goed stel hersenen. Ga aan de slag en maak iets van jezelf.
Het geluid van de sirenen die je naar je ondergang lokken is enkel maar de stem van het onvermijdelijke, dat je verwelkomt na zo lange tijd. Ik ben enkel voor jou gemaakt.

Deel 7 – Hij ligt vastgebonden op het bed. Ik weet niet of het een gevangenis of een ziekenhuis is – ik ben buitengesloten. Ik kwam met tijdschriften en bloemen en de zuster zei “Ga maar binnen, zijn vrouw is bij hem”. Ik ben omgedraaid, maar iedere deur in de gang was gesloten.

Deel 8 – Zijn broeder, zijn moeder liggen verlaten in de dood op de stenen van de Londense metro. Begraven in de lava van de geschiedenis. Ik ben de laatste zwangere vrouw in een desolate wereld.
Hij zei dat zijn afwezigheid enkel de mechaniek van de dingen was. Maar het is niet hetzelfde. Hij beging de enige zonde die Liefde niet toelaat. Hij zondigt tegen Liefde en hij zegt dat het in de naam van Medelijden is en dat Medelijden de strijd verliest van Liefde. Maar hij is van geen nut voor Medelijden, en door te wankelen kwetst hij Liefde. Waar is Liefde? Ik lig hier, 500 mijl weg. Misschien ben ik zijn Hoop, maar zij is zijn Heden.

Deel 9 – Ik ben eenzaam. Ik kan geen vrouwelijke heilige zijn. Ik wil wie ik wil. Ik heb hem gekozen uit de wereld. Gekozen in koude overweging. Maar de passie was niet koud. Ze verwarmde mij. Ze verwarmde de wereld. Liefde, geef mijn hart rust. Sla je armen om me heen. Voel de kleine bastaard. – 40 dagen in de woestijn, en niet 1 visioen.

Deel 10 –De zintuigen leveren het ondraaglijke over aan de slaap, en het stopt, maar verschijnt weer gruwelijk aan de rand van mijn dromen. De pijn was onuitstaanbaar. En dan spoedde ik door Grand Central Station, voortgedreven door mijn eigen briljante wanhoop.
Er is iemand in de tempel. Ik wou maar 1 ding. Ik gaf volledige instructies, spelde de naam in grote letters, zelfs het adres. Dit is wat ik wil. Geef me dit en ik betaal elke prijs.
Mijn geliefde is gekruisigd en roept hees mijn naam in de nacht. Hij hangt, vochtig van impotente tranen, met 1 hand aan Liefde genageld en de andere aan Medelijden, met zijn voeten genageld aan het onvermijdelijke, drijvend in de oneindige zee van tragiek.
By Grand Central Station I sat down en wept.
Leg de wapens weg, Liefde, want alle veldslagen zijn verloren. Mijn lief, mijn lieveling, hoor je mij waar je slaapt?

song-of-songs-ii-1957-8

(Op reis tussen de oorlogen nam Elizabeth Smart in een kleine boekhandel in Charing Cross Road per toeval een poëzie-bundel uit het rek. Tijdens het lezen werd ze stapelverliefd op de dichter, en besloot met hem te trouwen. George Barker was al getrouwd; hij zou trouwens 15 kinderen krijgen bij verschillende vrouwen, waarvan 4 met Smart.)

— * —

De dag voor haar tentoonstelling zou openen, ergens in Mayfair, kwam hij met zijn vrienden naar de preview. In de hoek van de galerij stond een ladder. Als je die opklom, zag je tegen het plafond een zwart canvas, met eraan vast een vergrootglas bengelend aan een ketting. Erdoor kijkend onderscheidde je nog net 1 klein woordje: “yes”.
Terug beneden vroeg hij waarom er juist dat woord stond.

Had je dan liever gehad dat het ‘nee’ zei?

Dat was het exacte moment dat John Lennon verliefd werd op Yoko Ono. En dat het einde van de Beatles inluidde, natuurlijk.

(Sinds Hegel weten we dat alle vooruitgang in de affaires des mensen gebeurt via de dialectiek: these, antithese, synthese.)

Boem

A first-class flight to an undisclosed location, two nights stay in a luxury hotel, 14-carat gold binoculars, a five-course dinner with the author and a copy of Private Vegas that will “self-destruct” 24 hours after the purchaser begins reading it.

The precise nature of the explosion has not been revealed but it is believed to involve a bomb squad and an exotic location.