The New York trilogy, Paul Auster

auster

Het is allemaal begonnen met een verkeerd nummer. Iemand belde op een avond Paul Auster en vroeg of hij verbonden was met het Pinkerton detective agentschap. Auster antwoordde negatief, en beëindigde het gesprek. De volgende dag belde de onbekende opnieuw, met dezelfde vraag, en hetzelfde antwoord. Zo ook de derde dag. Pas toen er de vierde dag geen oproep meer kwam, dacht Auster met spijt wat er gebeurd zou kunnen zijn als hij “ja” geantwoord had.

Hij gebruikte dat voorval later in een boek: de telefoon die rinkelt, en de stem aan de andere kant die vraagt naar iemand die hij niet is; – maar dan zoals het had moeten lopen.

 

(I) Een man belt de schrijver David Quinn op, met de vraag of hij bij de detective Paul Auster is. Voor een zeer dringende zaak. Maar er is daar niemand met die naam.

De tweede keer dat de telefoon rinkelt, is Quinn te laat – de man heeft al opgehangen. Maar de derde keer: “Met Auster, wat kan ik voor u doen?”

Quinn noteert alles wat er dan gebeurt nauwgezet in een rood notaboekje.

 

(II) Eerst en vooral is er Blauw. Later Wit, en dan Zwart. En nog voor het begin, Bruin.

Bruin heeft hem het vak geleerd, en toen Bruin oud werd, nam Blauw de zaak over. Dan wandelt Wit het detectivekantoor binnen, en begint het.

De zaak lijkt simpel genoeg: Wit wil dat Blauw de man Zwart schaduwt.

Blauw ziet Zwart zitten, achter zijn bureau. Hij schrijft met een rode vulpen in een notaboek.

De dagen gaan voorbij. Zwart schijft, leest, maakt soms een korte wandeling door de buurt.

 

(III) Zeven jaar geleden kreeg ik een brief. Fanshawe was verdwenen, schreef ze. Het was al zes maanden geleden dat ze nog iets van hem gehoord had. Hij was waarschijnlijk al lang dood.

“Hij is altijd blijven schrijven?”, vroeg ik. Het was ingewikkelder dan dat: een paar maanden voor zijn verdwijning had hij haar beloofd dat hij binnen het jaar iets zou uitgeven. En als hij om de een of andere reden zijn belofte niet zou houden, mocht ze al zijn manuscripten aan mij toevertrouwen. Vond ik het allemaal moeite niet waard, moest ik de papieren teruggeven. En zij zou ze vernietigen, tot de laatste pagina toe. Ik heb alles gepubliceerd, werd er rijk en beroemd mee. En ik ben op zoek gegaan naar Fanshawe.

 

Het appartement is leeg nu. In 1 van de kamers ligt het rode notaboek. De laatst geschreven zin: “Waarom zijn er geen pagina’s meer in het rode notaboek?”

 

Jaren later gaat bij Paul Auster opnieuw de telefoon. Men vraagt naar Quinn. Auster checkt het nog eens: u zoekt een meneer King? Nee, nee, het moet Quinn zijn.

Iemand belt naar een schrijver en vraagt naar het hoofdpersonage van 1 van zijn boeken. Van een boek notabene dat ontstaan is uit een verkeerd verbonden telefoongesprek.

 

De geschiedenis herhaalt zich misschien niet, maar ze rijmt wel.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *